Kennis

Op stage hoeft zelfstandigheid niet de eerste stap te zijn

Het is half elf op een eerste stagedag in een magazijn. Een stagiair staat al tien minuten naast een rek met dozen. Hij heeft een opdracht gekregen, maar hij begint er niet aan.

“Hij ziet geen werk”, zegt de stagementor later.

Over andere jongeren hoor ik: “Ze vraagt nooit iets” of “Als ik haar geen opdracht geef, doet ze niets.”

Die reactie is begrijpelijk. Wie iemand ziet stilstaan of doelloos ziet rondlopen op de werkvloer, denkt al snel aan een gebrek aan motivatie. Maar wanneer ik jongeren met autisme tijdens hun stage begeleid, merk ik dat er vaak iets anders aan de hand is. Dat geldt trouwens ook voor jongeren zonder diagnose die in een nieuwe omgeving veel houvast nodig hebben.

Wat de stagementor ziet… en wat er echt gebeurt

Laten we even teruggaan naar die stagiair in het magazijn. Hij kent de gangen niet, weet niet welk rek waarvoor dient en kent de namen van zijn collega’s nog niet.

Zijn collega’s kennen elkaar en weten precies waar alles staat. Dan krijgt hij een opdracht. Voor de collega die ze gaf, was die opdracht duidelijk. Voor de stagiair niet.

Voor veel mensen ligt de oplossing dan voor de hand: vraag het gewoon opnieuw.

Maar hij is nieuw, hij weet dat hij beoordeeld wordt en hij heeft de uitleg al één keer gekregen. Hij vindt dat hij het dus had moeten begrijpen.

Daarom stelt hij geen vraag. En dus weet hij niet wat hij moet doen.

De stagementor ziet een stagiair die niet werkt. De jongere zelf is ondertussen volop bezig met uitzoeken wat er van hem verwacht wordt.

Aan de buitenkant kan dat op onwil lijken, terwijl de oorzaak ergens anders ligt. Dat verschil is belangrijk. Zie je het over het hoofd, dan werk je hard aan het verkeerde probleem.

Leerrust, ook op de werkvloer

In mijn werk spreek ik al langer over leerrust: genoeg rust in je hoofd om je aandacht bij je taak te houden en nieuwe informatie te verwerken. Op een stageplaats is dat minstens even belangrijk.

Een stage is bedoeld om te leren. Maar een jongere die de hele dag bezig is met vragen als “Waar moet ik zijn?”, “Waar leg ik mijn jas?” en “Mag ik hier tijdens de pauze gaan zitten?”, heeft weinig ruimte over om het eigenlijke werk te leren.

Al die kleine onzekerheden kosten energie. Tegen de middag kan die energie al grotendeels opgebruikt zijn, terwijl de stagementor denkt dat de dag nog maar net begonnen is.

‘Werk zien’ moet je eerst leren

“Een stagiair moet werk zien”, zeggen we vaak.

Maar wie al tien jaar op dezelfde werkplek staat, ziet honderd dingen die een jongere op zijn derde stagedag onmogelijk kan zien. Een ervaren medewerker kent de volgorde, de uitzonderingen en de gewoontes. Een stagiair moet dat allemaal nog ontdekken.

Daarom zou ik bij een nieuwe stagiair, zeker bij een jongere met autisme, niet beginnen met: “Kijk maar wat er nog moet gebeuren.”

Eén concrete opdracht kan houvast en rust geven. Is die klaar, dan volgt de volgende. Kent de jongere de werkplek beter en herkent hij de gewoontes, dan kun je twee opdrachten na elkaar geven. Later ontstaat er ruimte om zelf initiatief te nemen.

Zelfstandigheid hoeft niet de eerste stap te zijn. Het kan het resultaat zijn van goede begeleiding.

Eerst de werkplek leren kennen

Ik weet dat een stagementor het vaak druk heeft en niet de hele dag naast een stagiair kan staan. Net daarom loont het om in het begin wat tijd te investeren. Dat bespaart later veel uitleg en misverstanden.

Een bezoek vóór de start van de stage kan al veel verschil maken. Loop samen door de ruimtes. Toon waar de jongere zich kan omkleden, waar het materiaal ligt, waar iedereen pauze neemt en waar hij even tot rust kan komen. Vertel hoe een gewone werkdag verloopt.

Vertel ook wat nergens in een stagebundel staat. Iedere werkplek heeft een eigen sfeer, eigen gewoontes en eigen omgangsvormen. Zelfs twee afdelingen binnen hetzelfde bedrijf kunnen daarin sterk verschillen.

Hoe spreken collega’s elkaar aan? Eet iedereen samen? Wat wordt verwacht als je even niets te doen hebt?

Veel mensen pikken zulke ongeschreven regels gaandeweg op. Niet iedereen doet dat even gemakkelijk.

Zorg daarnaast voor een duidelijk aanspreekpunt. Werk je met wisselende shiften, zoals in de zorg, dan is één vaste mentor niet altijd haalbaar. Duid dan bijvoorbeeld twee mensen aan.

Niet: “Vraag maar aan iemand.”
Wel: “Als je iets niet weet, kun je bij deze twee collega’s terecht.”

Dat verlaagt de drempel om echt een vraag te stellen.

Wat je als ouder kunt doen

Ook als ouder kun je hier veel betekenen. Overloop vooraf samen met je zoon of dochter wat er op die eerste dag kan gebeuren en welke vragen hij of zij zou willen stellen. Zo hoeft je kind niet alles op de werkvloer zelf uit te zoeken.

Zelf ontdekken wat werkt

Soms helpt iets heel eenvoudigs: een notitieboekje, een kort stappenplan of een lijstje met namen en plaatsen.

Toch zit het belangrijkste voor mij niet in dat boekje. Ik wil dat de jongere begrijpt waarom het helpt:

“Blijkbaar onthoud ik uitleg moeilijker als alles nieuw is. Als ik het opschrijf, weet ik later nog wat ik moet doen.”

Daar heeft hij later nog iets aan: bij een volgende stage, bij een eerste job of wanneer hij opnieuw in een onbekende omgeving terechtkomt. Dan heeft hij niet alleen geleerd hoe hij deze taak op deze werkplek uitvoert.

Hij heeft iets over zichzelf geleerd.

Daarom vraag ik het ook aan de jongere zelf. Niet midden op de werkvloer, maar op een rustig moment.

Wat gaat al goed op je stage? Wat vind je het moeilijkst? Wat zou je helpen?

Antwoordt de jongere “weet ik niet”, dan kun je keuzes aanbieden: gaat het vooral om de opdrachten, om de collega’s of om de pauzes?

Zo zoeken we niet alleen een oplossing voor de jongere, maar ook samen met de jongere. Ook wat de stageplaats over hem te weten komt, beslist hij mee.

Een stage vraagt aanpassing van twee kanten

Bij stages spreken we vaak over wat een jongere nog moet leren: op tijd komen, initiatief nemen, communiceren, zelfstandig werken, omgaan met feedback.

Maar het helpt ook om te kijken wat de stageplaats kan doen, zodat de jongere de kans krijgt om die vaardigheden ook echt te leren.

Soms is dat verrassend weinig: een opdracht concreter formuleren, één taak tegelijk geven of de ruimte geven om iets op te schrijven. En vooral: niet te snel besluiten dat iemand die stilstaat ongemotiveerd is.

Gedrag laat zien wát er gebeurt. Niet noodzakelijk waarom.

Daarom begin ik bij een stage liever niet met de vraag:
“Kan deze jongere zelfstandig werken op onze werkvloer?”

Ik begin met:

“Wat heeft deze jongere nodig om hier stap voor stap zelfstandig te leren werken?”

Die stagiair in het magazijn stond niet stil omdat hij niet wilde werken. Hij stond stil omdat hij nog niet wist hoe hij moest beginnen. Met één duidelijke opdracht, een vaste collega om op terug te vallen en een notitieboekje in zijn broekzak kan diezelfde jongen na verloop van tijd zelf zien wat er moet gebeuren.

De mens vóór de diagnose

Bij De Brug Begeleiding ga ik niet uit van wat iemand volgens het boekje zou moeten kunnen. Ik kijk naar de persoon die voor mij zit en naar wat er op de werkvloer werkelijk gebeurt.

Samen met de jongere, de school en de stageplaats zoek ik naar een aanpak die niet alleen vandaag helpt, maar ook bruikbaar blijft bij een volgende stage, een eerste job of in een nieuwe werkomgeving.

Heb je in je bedrijf of organisatie een stagiair met autisme? Begeleid je als school jongeren tijdens hun stage? Of loopt je zoon of dochter binnenkort stage?

In een gesprek bekijken we samen hoe zo’n stagedag er nu uitziet, waar het moeilijk loopt en wat de jongere nodig heeft om verder te kunnen.

Soms zijn kleine aanpassingen genoeg om een groot verschil te maken.

Niet door de lat lager te leggen, maar door de weg ernaartoe duidelijker te maken.

Herken je hier iets in? Een eerste gesprek hoeft niet groot te zijn.